Noblesse oblige

Cornee de Kluyver

 

Toch nog een corona gerelateerd onderwerp omdat het oude Franse gezegde 'Noblesse oblige' (dat letterlijk wordt vertaald als 'adeldom verplicht'), weer zo actueel lijkt te zijn.

De COVID-19 uitbraak is iedere ondernemer overkomen. Geen enkele onderneming kon zich erop voorbereiden. Met als gevolg acute vraaguitval, gehele of gedeeltelijke bedrijfssluiting, hoog ziekteverzuim, management op afstand, etc.  Dit heeft geleid tot veel onzekerheid over continuïteit van bepaalde activiteiten, noodzaak tot snelle verandering en/of financiële tekorten of zelfs discontinuïteit van de onderneming. De ondernemingsleiding dient hierop te acteren met het verzoek dit zoveel mogelijk vanuit huis te doen… We hebben allemaal in meer of mindere mate hiermee moeten dealen en dit is ook zeker voorlopig niet afgelopen. Elke onderneming heeft dus zo zijn eigen problemen en uitdagingen en strijd tegen de gevolgen van de aanwezigheid van een gezamenlijke vijand, het coronavirus. 

 

Tegenwoordig wordt met 'Noblesse oblige' bedoeld, dat een vooraanstaande maatschappelijke positie bijzondere verplichtingen met zich meebrengt. Deze buitengewone verplichtingen hebben nadrukkelijk ook betrekking op de sociale omgangsvormen en de vervulling van een leiderschapsrol. Vertaald naar de maatschappij en het bedrijfsleven van vandaag betekent dat beschikking over kapitaal, invloed of knowhow de plicht geeft er iets goeds mee te doen en zich ernaar te gedragen. In deze coronaperiode is dit gezegde goed te duiden. De overheid heeft een morele verantwoordelijkheid op haar genomen door forse maatregelen te nemen die moeten voorkomen dat onnodig bedrijven omvallen of medewerkers worden ontslagen. Vervolgens deed de overheid op haar beurt een beroep op de morele verantwoordelijkheid van bedrijven en zelfstandigen als het gaat om het gebruikmaken van de diverse steunmaatregelen en de aanwending hiervan.

 

Wat vervolgens – terecht – aan de bedrijven zelf wordt overgelaten, is hoe de bedrijfsvoering aan te passen aan de veranderde omstandigheden. Aanvankelijk werd gedacht een overzichtelijke 'coronaperiode' met vergaande maatregelen gericht op het 'financieren' van tijdelijke tekorten. Dit tegen de achtergrond dat herstel van omzet ook weer snel aan de orde zou kunnen zijn. Inmiddels weten we dat het coronavirus de economie helaas veel langer en structureler zal gaan beïnvloeden. Dit zal ook betekenen dat het aantal ingrijpende reorganisaties zal gaan toenemen en hiermee ook de noodzaak om het personeelsbestand te verkleinen. Nu is/was de NOW-regeling in het leven geroepen om banen te behouden, sterker nog, er was sprake van een stevige 'ontslagboete' gedurende de NOW-periode. Enige suggestie van het bedrijfsleven om toch mensen te mogen ontslaan omdat perspectief en/of financiële middelen ontbraken om (alle) medewerkers in dienst te houden, werd vanuit de politiek en vakbonden ondubbelzinnig afgewezen, was ronduit onbehoorlijk! Dit lijkt nu enigszins af te nemen en van een boete is in veel gevallen geen sprake meer. Maar het verruimen van de mogelijkheden om te reorganiseren en arbeidsplaatsen te verminderen lijkt er voorlopig niet te komen. En hoewel de NOW-subsidie voorziet in financiering van een belangrijk deel van de personeelskosten dekt het zeker niet alle kosten. Hiermee is het primair een werknemersverzekering en secundair een werkgeverssubsidie. Hoewel werkgevers veel meer beleidsvrijheid en vertrouwen zouden moeten verkrijgen met het nemen van reorganisatiemaatregelen, is het ook denkbaar dat een toetsingskader door het UWV wordt ontwikkeld dat voorziet in ruimere mogelijkheden om 'vanwege corona' te reorganiseren. De overheid kan vervolgens bijdragen door ontslagkosten aftrekbaar te maken voor de loonbelasting, de loonheffing op de te ontvangen salarissen aanzienlijk te verlagen, zodat de getroffen werknemer ook een grotere buffer heeft om de 'between jobs' periode te overbruggen.

 

Naast de ruime steunmaatregelen van de overheid hebben ook banken haar klanten veel 'lucht' gegeven door opschorting van aflossingen en waar van toepassing extra geld te verstrekken op basis van de GO- of BMKB-regelingen. Tot op heden blijkt dit ook effectief te zijn geweest, zie het zeer beperkt aantal faillissementen tot op heden. De verwachtingen van economen, financiers en verzekeraars aan het begin van de corona-uitbraak zijn hiermee tot op heden (nog) niet uitgekomen. Inmiddels is de gedeelde opvatting dat pas in 2021 sprake zal zijn van een forse toename van het aantal faillissementen. Maar ook dit is nog niet zeker. Dit zal namelijk afhankelijk zijn van de mate waarin omzet wel of niet herstelt, maar nog meer in welke mate de overheden (al dan niet in samenwerking met banken) bereid zullen zijn verliezen en/of tekorten willen financieren. De vraag kan gesteld worden waarom een overheid dit wel gedurende 9 maanden zou willen doen, maar niet bijvoorbeeld voor een periode van 2 jaar? Als we de minister van Financiën mogen geloven hebben we voorlopig voldoende ruimte om bedrijven te kunnen ondersteunen. Maar we weten dat dit binnen Europa zeker geen 'common sense' is.

Zullen banken kunnen accepteren dat hun kredietrelaties massaal in 'default' zijn en voorlopig blijven? Hoe gaan (Europese) toezichthouders daarmee om? Juist nadat na de vorige crisis zo sterk is ingezet op regelgeving, risicoverlaging en de kostprijs van kredieten. Banken zijn ook commerciële instellingen met hun eigen winstverantwoordelijkheid. En is het maatschappelijk verantwoord om – indien dit aan de orde zou komen – banken via overheden opnieuw te ondersteunen?

Tot op heden hebben de overheid, banken en werkgevers goed 'samengewerkt' om de gevolgen van de coronacrisis het hoofd te bieden. Feit is wel dat de verliezen, die een rechtstreeks gevolg zijn van de coronacrisis, vooralsnog grotendeels voor rekening van de ondernemers komen, weliswaar primair door de overheid gefinancierd (NOW, maar vooral ook uitstel belastingen) en secundair door de banken (opschorting aflossingen of een extra lening). Als straks de jaarrekening 2020 wordt opgemaakt staan op de balansen veel extra (kortlopende) schulden, een negatief werkkapitaal als gevolg. Snelle opeising van schulden betekent dan alsnog faillissementen. Overbodig om op te merken, maar zolang alle schulden gewoon terugbetaald moeten worden, betalen de ondernemers/aandeelhouders (naast de overheid met de verstrekte subsidies) fors mee aan de gevolgen van de coronacrisis.

 

Uitgaande van een scenario waarbij de effecten van COVID-19 op de economie niet verder zullen toenemen en zicht zou komen op langzaam herstel, dan is het noodzakelijk dat een onderneming tijd krijgt om de bedrijfseconomische situatie te normaliseren. Een globale inschatting is dat dit minimaal 2-3 jaar zal duren. Verliezen kunnen immers alleen gecompenseerd worden door winsten en zolang ondernemers noodgedwongen gericht zijn op verliesbeperking wordt geen of onvoldoende winst gegenereerd. Er breekt dus een periode aan waarin ondernemingen langere tijd niet aan eerder overeengekomen afspraken kunnen gaan voldoen. Dit vraagt om begrip, geduld en soms ook concrete hulp van banken, verzekeraars, overheid, leveranciers, personeel, verhuurders, etc. Wat dit praktisch zal betekenen vergt in grote mate maatwerk. Generieke maatregelen zullen worden afgebouwd, de effecten van COVID-19 zullen zich meer en meer bedrijfsspecifiek manifesteren. Ondernemers hebben de verantwoordelijkheid te anticiperen op de nieuwe realiteit, stakeholders begrip, geduld en soms ook hulp.

 

Altijd benodigd zullen zijn: flexibiliteit, adequate informatievoorziening, toekomstgerichte verbeterplannen en communicatie. En, omdat voor deze crisis geen handboek aanwezig is en niemand erom heeft gevraagd; noblesse oblige van alle stakeholders!

 

nieuwsbrief